Het orthodoxe monastieke leven

Eén van de meest kenmerkende aspecten van het kloosterleven is het ritme waarin de dagelijkse gang zich voltrekt. Het is dit ritme dat het kloosterleven samenhang geeft en diepgang verschaft en – tegen de achtergrond van het omringende jachtig leven - vaak een bepaalde rust doet uitstralen. Dit ritme is gebaseerd op het kloostergebed, de orde van de diensten en een deemoedige uitvoering van kloostertaken. De kloosterregel zou de hartslag van het monastieke leven kunnen worden genoemd, maar de regel is uiteindelijk een uitwendige constructie. Ze kent een eigen historie, een eigen ontwerp en ontwikkeling. Zij is door mensen bedacht, hoe Goddelijk zij ook is geïnspireerd. Toch kan zij bij het navolgen - in Gods genade - een harmonie bewerkstelligen die het kloosterleven vruchtbaar ondersteunt en kloosterlingen mogelijkheden biedt het pad te vinden naar de “theosis”  - het geestelijke doel van christenen, harmonie en vereniging te vinden met de Drie-ene God - om een Goddelijke taak te kunnen vervullen.

 

Monastieke regels geven houvast in een tijd waarin de behoefte naar geestelijke verdieping groeit. Maar de regels zijn gemaakt voor kloosterlingen in een gemeenschap van regelmaat, onderling hulpbetoon èn gehoorzaamheid. Een regel volgen zonder een gezegend woord van een geestelijke vader wordt in de christelijke monastieke traditie als een ongunstige eerste stap beschouwd, die spoedig kan afglijden naar de gevreesde “hoogmoed”, bron van al onze misstappen en tekortkomingen!

 

Kluizenarij of kloostergemeenschap? 

De geschiedenis van het christelijke monachisme is zeer omvangrijk en veelvuldig beschreven(1). Hier kan alleen maar een fractie ervan worden aangeduid. Kloosterregels spelen in die geschiedenis een rol. Zij vinden hun oorsprong in het christelijke kloosterleven dat al in de 3e eeuw na Christus ontstond, maar dat zich in haar vormen en inhoud spiegelde aan de eerste gemeenschappen van christenen in en rond Jeruzalem vlak na Christus’ verrijzenis. Pas vanaf het Tolerantie-edict van Milaan (313) mocht het christelijke geloof in het oude Romeinse Rijk in volle vrijheid worden beleden. Deze geloofsvrijheid had voor christenen tot gevolg dat de druk wegviel van vervolgingsvrees en maatschappelijke uitsluiting, en bracht daardoor ook andere groepen in aanraking met het christendom. Onder de nieuwe gelovigen speelden ook meer opportunistische beweegredenen een rol. Men meende soms, vanwege de keizerlijke instemming met het christendom, zich als christen een gunstigere maatschappelijke positie te kunnen verwerven. Met de tolerantie trad er op vele plaatsen dan ook verslapping op in de oorspronkelijke christelijke geest van waakzaamheid en opoffering, die ten tijde van de vervolgingen in de eerste eeuwen was ontstaan.

 

 

 

48909194_prp_sergiy_blagoslavlyaet_peresveta_i_oslyabyuTegen deze achtergrond groeide het verlangen onder enkele christenen om de weg van de christelijke volmaaktheid te zoeken in afzondering van de wereld en aansluiting te vinden bij hen die in de oorspronkelijke geest verder wilden gaan. Ook Christus Zelf sprak immers: ”Ik ben niet van deze wereld”(Joh.8,23) en “Zo iemand Mij volgen wil, die verloochene zichzelf, neme zijn kruis op en volge Mij. Want wie zijn leven wil vasthouden zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie, die zal het behouden.”(Mk. 8, 34-35). Deze beweging van het anachoretisme (Grieks: verlaten) kenmerkte zich door eenlingen die in afzondering een leven van gebed en beschouwing zochten. In het oude christelijke Egypte – met destijds de grootste concentratie christenen -  kwam deze wereldverzaking in de Egyptische woestijn tot grote bloei. De bekendste Egyptische woestijnvader die in eenzaamheid leefde was de Heilige abba (vader) Antonios de Grote (ca.250-356). De Egyptische heremieten werden spoedig gevolgd door medestanders die zich bij voorkeur in de omgeving van deze spirituele geweldenaars wilden vestigen, om door hun geestelijke raad te worden bijgestaan. Zo ontstonden er gemeenschappen van soms meer dan duizend kloosterlingen. Steeds meer werd de behoefte gevoeld om het leven in de gemeenschappen rond de kluizenarijen te regelen. In dit klimaat ontstond de eerste regel voor een monastieke gemeenschap. Aan de Heilige abba (vader) Pachomios (287-346) wordt de eerste christelijke kloosterregel toegeschreven. Anders dan de H.Antonios pleitte hij voor het gemeenschapsleven (Grieks: koinobios) in plaats van de afzondering van de heremiet. Deze beweging wordt in de literatuur vaak het kenobitisme genoemd ter onderscheiding van het eerdergenoemde anachoretisme. Opmerkelijk is dat de heilige kluizenaar Antonios de Grote nog tijdens zijn leven de weg van het kenobitisme een apostolische weg schijnt te hebben genoemd (Bartelink 1993: 94-95).

 

Behalve in Egypte kwam ook in nabije christelijke gebieden het monastieke leven in vrijwel dezelfde periode tot bloei. In Palestina, Syrië en Mesopotamië en iets later in Klein-Azië. In de landstreek Kappadocië (Centraal-Klein-Azië) ontmoeten we de auteur van de kloosterregel die in dit boekje centraal staat: de Heilige Basilios (Latijn: Basilius)  de Grote (329-379). Rond 356 heeft de H.Basilios een rondreis gemaakt langs de toenmalige kloosters van Egypte, Syrië, Palestina en Mesopotamië. Diep onder de indruk van het monnikenleven besloot hij het initiatief van zijn familieleden te volgen, om in één van hun buitenverblijven in Annesi in de streek Pontus, een monastieke gemeenschap te beginnen. De H.Gregorios de Theoloog, een goede vriend van de H.Basilios vergezelde hem in zijn klooster. Het is in deze periode vanaf ca.360 dat de H.Basilios verschillende werken, waaronder zijn adviezen en instructies aan kloosterlingen, schreef. Deze klassiek geworden ascetische regels overschaduwden door hun evenwichtigheid en mildheid het werk van voorgangers als de H.Pachomius en Eustathius van Sebaste (Bartelink  1993:142). (zie verder voor een  uitgebreidere biografie van H.Basilios)

 Kloosterorden en hun regels ontstonden in het westen na het Grote Schisma van 1054 

Er hebben in de loop van de monastieke geschiedenis vele kloosterregels bestaan. Maar de nadruk op de kloosterregel is in het bijzonder in West en Zuidwest-Europa vanaf de 11e eeuw sterker geworden met het verschijnen van de eerste zgn. kloosterorden. Deze klooster- of religieuze orden, zoals de Benedictijnen, Norbertijnen, Cisterciënzers en later onder meer de Franciscanen, Dominicanen en Jezuïeten, en de vele andere congregaties, moeten niet worden verward met de eerste kloostervormen die in de oorspronkelijke gebieden van het monastieke leven - het christelijke Egypte, Palestina en Syrië, Griekenland en Klein-Azië – ontstonden. Het is in het oorspronkelijke klimaat van het vroege monachisme dat de regels van Basilios tot stand kwamen. De H. Theodosios de Kenobiet, was de eerste monnikvader die in de 5e eeuw de instructies van de H. Basilios volgde bij de opbouw van de door hem gestichte kloostergemeenschap in de woestijn van Judea (Kanior 1993: 109). Het orthodoxe oosten heeft nooit een monastieke structuur van nogal centraal geleide kloosterorden gekend, zoals die in West- en Zuidwest-Europa vooral na het Grote Schisma in 1054 zijn ontstaan. Zelfs over de Regel van de H.Benedictus, die tot de zevende eeuw zou terug gaan, wordt de vraag gesteld of het in zijn huidige vorm wel rechtstreeks van Benedictus stamt. De H.Benedictus zou bij zijn kloosterstichtingen zelf niet hebben gedacht aan een straffe of zelfs maar een losse organisatie van kloosters tot een orde. Dat is een creatie van later tijd (Damen 1965: 11, 57). Iets later nadat de H.Basilios zijn Regels had geschreven worden aan de H.Augustinus van Hippo ca.400, regels toegeschreven voor het kloosterleven. Van hem zijn verschillende teksten bekend waaronder een brief voor een vrouwenklooster in Noord-Afrika, die instructies bevat om de daar ontstane spanningen in de gemeenschap weg te nemen. Deze documenten zijn later samengevoegd en als de Regel van Augustinus bekend geworden. Maar ook voor deze Regel geldt dat er twijfels bestaan of zij helemaal van Augustinus zelf afkomstig is (vgl. Frank 1993: 40-41 en Fens&Hunink 2005:10-11). En misschien geldt ook hier dat zijn Regel pas na het ontstaan van de eerste kloosterorden vanaf de 11e eeuw in het westen als een te onderscheiden monastieke Regel is toegepast. Ook wordt de Regel van Augustinus vaak genoemd als de regel van de reguliere kannuniken die daarom ook wel als Augustijnen bekend staan (Fens&Hunink 2005:11).

 

Van de “Regel van Basilios” kan zonder aarzelen worden gezegd dat het de bedoeling had een praktische handleiding te willen bieden voor het kloosterleven. Maar toch kan men met de Kortere Regel in de hand niet direct stellen een kloostergemeenschap te starten. Daarvoor zijn de antwoorden in de Kortere Regel eerder moreel vormend te noemen dan praktisch instruerend van aard.Ook moet de “Regel van Basilios” niet als dé Regel van de orthodoxe monniken worden beschouwd, zoals nogal vaak in het westen ten onrechte wordt beweerd. Dit laatste vindt zijn oorzaak in de steeds verder ontwikkelende kloosterregels vanaf het Grote Schisma in West- en Zuid-Europa. Kloosters en orden werden daardoor in het westen als vanzelfsprekend met elkaar verbonden, zodanig dat zelfs de oudere monastieke traditie in het oosten gemakshalve gezien werd als zijnde van de orde van de “Regel van Basilios”, hoewel er nooit een orthodoxe Basilios-orde met gelijknamige Regel in het oosten heeft bestaan.

 Verwarring rond de zgn. geünieerden en de Orde van Basilianen  

Nog groter werd de verwarring toen de Rooms-katholieke kerk er zelf toe overging een Orde van Basilianen in het leven te roepen, die de zgn. Regel van Basilios (Latijn: Basilius) volgt. Dit geschiedde vanaf het einde van de 16e eeuw in het Pools-Litouwse koninkrijk bij de zgn.Unie van Brest in 1596. In dit Unieverdrag werd de orthodoxe kerk in Polen-Litouwen ondergeschikt gemaakt aan Rome. De meerderheid van de bevolking van het Pools-Litouwse koninkrijk was orthodox. Zij woonden vooral in de gebieden die thans Belarus en grote delen van Oekraïne omvatten. De gedachtegang was dat de orthodoxen zich zouden verenigen met de kerk van Rome. Het orthodoxe episcopaat wees het verdrag in meerderheid af, omdat het niet een herstel inhield van de verhoudingen van vóór het Grote Schisma van 1054, maar een onderschikking van de Orthodoxe kerk onder Rome. Alleen twee gunstelingen van de koning gingen overstag en brachten grote moeilijkheden over kerk en land. In haar jacht om de orthodoxen onder Rome te brengen – die destijds door de rooms-katholieken minachtend  “schismatieken” werden genoemd -, ontving de rooms-katholieke koning van Polen de bevoegdheid van Rome om in zijn gehele rijk, inclusief de oostelijke gebieden (het huidige Belarus en Oekraïne),  “orthodoxe” bisschoppen aan te stellen. (Normaal gesproken vindt de handoplegging of inwijding van orthodoxe bisschoppen alleen plaats door twee of meer oudere bisschoppen van canonieke autokefale orthodoxe kerken.)

 

De orthodoxe gelovigen die zich niet onder de door de koning benoemde nieuwe “orthodoxe” bisschoppen schaarden werden vogelvrije burgers, onderhevig aan geloofsvervolging. De echte orthodoxe bisschoppen werden verjaagd of het leven zuur gemaakt. Orthodoxe kerken werden door de rooms-katholieken overgenomen en ondergingen vaak een barokke gedaanteverandering en de diensten werden geleidelijk aan gelatiniseerd. Orthodoxe kloosters werden geconfisqueerd en meestal overgedragen aan rooms-katholieke congregaties t.b.v missie onder de orthodoxen (vader Jevgeni 1996).

 

Enkele kloosters behielden in verband met de missie onder de orthodoxen de mogelijkheid om de eredienst op zijn ‘orthodox’ te houden. De geestelijkheid moest evenwel rooms-katholiek worden. Het betrof vaak personen die een persoonlijk belang beoogden en vanuit hun orthodoxe achtergrond bekend waren met de orthodoxie. Deze zgn. orthodoxe kloosters waren verbonden met Rome en werden Basilianen-kloosters of ‘geünieerde’ kloosters genoemd. De monniken die er leefden werden dus beschouwd als van de zgn. Orde der Basilianen, die de regel van Basilios volgden. Soortgelijke kloosters werden ook in andere delen van Europa gesticht vooral in gebieden waar orthodoxen onder een rooms-katholieke heerser kwamen en de Unie-politiek van Rome doorgezet werd (zoals in Oostenrijk-Hongarije en het gebied van de Karpaten en in het zuiden van Italië en de Griekse eilanden ten tijde van het Venetiaanse bestuur; en eerder in de gelatiniseerde oude christelijke kerken van het Midden-Oosten). Zeer waarschijnlijk heeft het bestaan van deze rooms-katholieke kloosters van de zgn. “oosterse ritus” en de introductie in de 16e eeuw van de naam “Basilianenkloosters”,  verwarring veroorzaakt.

 

De actuele problematiek rond de zgn geunieerde-kerken en kloosters in het huidige West-Oekraïne is terug te voeren tot de Unie-politiek van Rome in de 16e eeuw. Zowel de zgn. Basilianenkloosters als de Orde van Basilianen zijn Vaticaanse constructies geweest met het doel religieuze expansie onder de orthodoxen in het oosten te bedrijven. In de jaren twintig van de 20e eeuw beleefde de Unie-politiek weer een kleine heropleving, vanwege de verwachte instorting van de jonge Sovjet-Unie. Paus Benedictus de XV (1914-1922) richtte hiertoe de Congregatie voor de Kerk van het Oosten op. Ook in Nederland ontstond in die tijd, in navolging van de Neo-Unie-politiek van Rome, de mogelijkheid om als religieuzen werkzaam te zijn bij Nederlandse congregaties voor de missie in het oosten (“Apostolaat der Hereeniging” en het “Apostolaat voor de Oosterse Kerken”). Uit deze congregaties ontstonden communiteiten die de orthodoxe erediensten celebreerden, maar verbonden bleven met Rome. Erg bekend werd het Benedictijner klooster van Chevetogne in België, dat eveneens uit deze periode stamt van de genoemde Apostolaten. Het klooster van Chevetogne heeft een belangrijke rol vervuld in het bekender worden van de orthodoxe eredienst (door hen oosterse eredienst genoemd). In Nederland zijn o.m. de congregaties van de Kapucijnen en Redemptoristen bij het Apostolaat voor de oosterse kerken betrokken. Zij hebben vooral vlak na de Tweede Wereldoorlog zich ingespannen bij de humanitaire hulp aan orthodoxe vluchtelingen uit Oost-Europa en in het bijzonder uit de voormalige Sovjet-Unie (vader Jevgeni 1996: 111-120).

 

Een ondubbelzinnige afwijzing van de oude Unie-politiek heeft tot dusverre van Rooms-katholieke zijde niet plaatsgevonden, er is kennelijk nog voldoende reden om deze zgn.geünieerde kerken te laten voortbestaan. Tegen de achtergrond van de huidige kerkelijke situatie in Oekraïne, waar de Rooms-katholieke kerk onlangs nog toestemming gaf voor de vestiging van een geünieerde patriarch in Kiev (waar in de gehele stad en nabije omgeving nauwelijks geünieerde kerken te vinden zijn) geeft aan dat deze problematiek nog lang niet tot het verleden behoort. Op grond hiervan mag worden verondersteld dat de verwarring rond het foutieve gebruik van het begrip “Basilianen” en orthodox monachisme voorlopig helaas nog zal blijven voortbestaan. (vader Jevgeni 1996: 11-65;130-133) 

 

 

Enkele kenmerkende verschillen tussen het orthodoxe en het rooms-katholieke monachisme  

In het gebied van de vier oude patriarchaten Constantinopel, Alexandrië, Antiochië en Jerusalem (sinds Rome in het Grote Schisma de eenheid met hen verbrak worden zij de orthodoxe patriarchaten genoemd) werd de monastieke traditie voortgezet op de wijze zoals die al in de 3e en 4e eeuw bekend was. Ook in andere gebieden waar het orthodoxe christendom was doorgedrongen zoals op de Balkan en in Rusland werd de eeuwenoude monastieke traditie ononderbroken voortgezet. De oudste kloosterregels van Basilios gaven geen aanleiding tot het opzetten van een ordenstructuur. In het oosten werden de kloosters al zeer vroeg ondergebracht bij de orthodoxe bisschoppen. De orthodoxe kloosters staan elk als zelfstandig besturende geloofsgemeenschappen in contact met de locale bisschop aan wiens gezag zij onderworpen zijn.

 

In het westen echter kenden de orden na het Grote Schisma allengs een eigen onafhankelijke organisatie, vrijwel los van de lokale kerkbestuurder: de bisschop. De goedkeuring van de religieuze gemeenschap in het westen vindt plaats door de Apostolische Stoel (Rome). De kloosterorganisatie of orde (zgn.”provincie”; vaak wordt ook het vriendelijkere “familie” gebruikt) wordt geleid door een generaal-overste met een zetel in (de buurt van de pauselijke curie te) Rome. De activiteiten van een westerse kloosterorde kunnen lokale accenten hebben, maar de “provincie”, het netwerk van de kloosters die tot dezelfde orde behoren is het voornaamste oriëntatiepunt. Zo spreekt men eerder van intreden bij een orde en niet zozeer van intreden in een klooster.

 

Voor de “westerse” orden werd het daarom ook belangrijk om het verschil in regels ten opzichte van andere orden extra te benadrukken. Dit kwam ook tot uitdrukking in de verschillende taken die de orden in de loop van de historie toebedeeld kregen. Zo werden bijvoorbeeld de Benedictijnen bekend vanwege hun aandacht voor de liturgie; de Dominicanen raakten bekend om hun kennis van het kerkelijke recht (men zag hen daarom vaak een taak vervullen bij de uitvoering van de Inquisitie) de Franciscanen vond men vaak terug in de sociale zorg, de Jezuïeten zijn van oorsprong opgericht als een wapen in de Contra-Reformatie (daarnaast werden er vele congregaties vooral in de loop van de 18e eeuw opgericht ten behoeve van het onderwijs, gezondheidszorg en andere maatschappelijke taken), elke orde had zo zijn bijzonderheden en specialisaties, die ook tot uitdrukking kwam in de kledingvoorschriften, zodat men ook uiterlijk van elkaar kon worden onderscheiden. Al deze westerse monastieke orden en regels kwamen eigenlijk pas na het Grote Schisma in 1054 tot ontwikkeling (alleen de Regel van de Benedictijnen en een voorloper van de Kartuizerregel worden van oudere datum geacht, maar die datering wordt door de benedictijner monnik C.Damen (1965) in twijfel getrokken).

 

Voor zover er van specialisaties in de orthodoxe kloosterorganisatie sprake is zijn ze sterk plaatsgebonden en afhankelijk van de hegoumen (hoofd) van het klooster en de zegen van de locale bisschop. De kledingvoorschriften zijn afhankelijk van de zegen van de synode van de desbetreffende autokefale orthodoxe kerk (bijv. de Griekse-, de Russische- of de Servische- orthodoxe kerk). Zo zijn Griekse monniken in kleding te onderscheiden van de monniken uit de Russisch- of Roemeens-orthodoxe traditie. Ook bestaat er in orthodoxe kloosters niet zozeer een onderscheid in zgn actieve en contemplatieve kloosters zoals het westen die kent. De regel is veeleer dat niet de specialisaties kenmerkend zijn voor het kloosterleven, maar het voortdurend verblijven in God. Alle werkzaamheden moeten doordesemd zijn van gebed (het Jezusgebed). En het gebed zelf is het belangrijkste werk. Kortom bidden is activiteit en tijdens het werk bidt (‘contempleert’) men. Contemplatie en actie zijn in het orthodoxe monastieke leven niet zinvol te scheiden. Russische monniken verstaan onder hun regel (pravilo) de persoonlijke gebedsregel, die ze ontvangen hebben van hun geestelijke vader, en niet zozeer een algemene regel die behoort bij een kloosterorde. 

 

Als een orthodoxe gelovige het monastieke pad wil volgen treedt hij/zij in een kloostergemeenschap behorend bij een bepaald diocees van een van de Orthodoxe kerken. De belangrijkste regels voor het monastieke leven zijn nog steeds vervat in de monniksgeloften die ten overstaan van de bisschop als hoofd van de kerk worden afgelegd (de dienst van het mysterie van de monnikswijding of het ontvangen van het Kleine Schima wordt toegeschreven aan de H.Chariton de Belijder uit Palestina in 3e/4e eeuw). Elk orthodox klooster geeft haar eigen vorm aan de wijze waarop de gemeenschap zal worden georganiseerd, in aansluiting op de orthodoxe monastieke traditie - zoals door de monnikvaders aangegeven - en in overleg met de locale bisschop die bij goedkeuring zijn zegen geeft. Alleen enkele orthodoxe kloosters vallen rechtstreeks onder de verantwoording van het hoofd (patriarch, metropoliet of aartsbisschop) van een autokefale orthodoxe kerk in plaats van de locale bisschop. 

 

Anders dan in het westen kennen orthodoxe kloosters geen zelfstandige macht in het bestuur van de kerk zoals bij de hoofden (generaal-oversten) van de rooms-katholieke kloosterorden het geval is. De generaal-oversten van de westerse kloosterorden maken bijvoorbeeld als stemgerechtigde leden deel uit van het centrale kapittel die tijdens een synode of concilie van de Rooms-katholieke kerk beslissingen neemt. Maar het morele gezag van kloosters, vooral via de starets in de Slavische en Roemeense traditie of de geronda in de Griekse traditie, is in de orthodoxe gebieden groter dan in het westen.

 

Om het kloosterleven bij het kerkelijke leven te betrekken kregen sommige westerse kloosterorden een taak in het pastoraat (bijv. de Norbertijnen en latere congregaties zoals de Redemptoristen en Kapucijnen). De scheiding (èn verbondenheid) tussen het wereldse en het geestelijke – kenmerk voor elk monastiek leven - heeft in het oosten een andere vorm gekregen. Het orthodoxe kloosterleven is op twee manieren verankerd in het kerkelijke leven. Allereerst zijn de orthodoxe bisschoppen en patriarchen, die leiding geven aan de kerk, meestal uit de stand van de monniken voortgekomen. Het monastieke leven is daardoor in veel sterkere mate met het geestelijke leven van de orthodoxe gelovigen verbonden dan in het leven van de hedendaagse christenen in West-Europa met de westerse kloosters het geval is. Ten tweede is de invloed van de kloosters merkbaar omdat de kerkdiensten in de orthodoxe parochies in wezen verkorte versies zijn van de kloosterdiensten, zowel in de teksten als wat de muziek(koorzang) betreft. Er is hierdoor in het oosten een grotere liturgische eenheid tussen kloosterdiensten en parochievieringen in vergelijking tot het westen. De orthodoxe gelovigen herkennen dit snel bij het bezoek aan hun kloosters. Orthodoxe kloosters worden tot op heden door de orthodoxe gelovigen nog steeds ervaren als  centra van het geloofsleven, waar men naar pelgrimeert op bijzondere feestdagen of tijdens de vastenperioden, of voor een zegen of een gezegend woord van een starets of geronda.

 

Nog steeds bestaat er een grote verscheidenheid van organisatievormen in het monastieke leven in de orthodoxe kerken. Zo bestaan er kluizenarijen en kleine gemeenschappen van enkele kloosterlingen tot grote laura’s van meerdere tientallen monniken en soms in combinatie met kluizenarijen en kleinere gemeenschappen. De Heilige Berg Athos in Griekenland, de Sighlaberg in Roemenië(Moldavië) of het Valaamklooster in Rusland, geven deze verscheidenheid tot op de huidige dag nog goed weer.

 

Anders dan in West-Europa bloeit het kloosterleven in Zuid-Oost en Oost-Europa weer op. Zowel in Rusland, Servië, Oekraïne, Roemenie, Polen als in Griekenland en op de Heilige Berg Athos is sprake van nieuw elan en verjonging van de kloosterbevolking. En zelfs in Bulgarije en Belarus, waar de atheistische propaganda tijdens het communisme zeer sterk was, vertonen tekenen van (licht) herstel van het monastieke leven. 

 

In het tragische schisma van 1054 scheidde de Rooms-katholieke kerk (d.w.z. de patriarch/paus van Rome) zich af van de overige vier oude christelijke patriarchaten van Constantinopel, Alexandrië, Antiochië en Jerusalem. Hij verliet daarmee de reeds duizendjarige eenheid met de oorspronkelijke christelijke (orthodoxe) kerken. Een scheiding die, zoals we nu kunnen constateren, ook op het vlak van het monastieke leven in West-en Zuidwest Europa een meer centraliserende, uniformerende en rationaliserende, Rome-gerichte invloed heeft gehad. In een bijlage hebben we een tekst van bisschop Kallistos en een aanvullend schema opgenomen met enkele kenmerkende aspecten van de verschillen tussen de Orthodoxe kerken en de Rooms-katholieke kerk (zie bijlagen 1 en 2). 

 Niet de regel, maar een christelijke heiliging van het leven 

De Korte Regel van Basilius heeft de bedoeling gehad om in de begintijd van het monachisme vorm te geven aan het geestelijk leven in de kloostergemeenschappen. In het oosten bleef de christelijke kerk vrijwel in haar oorspronkelijke gedaante en traditie voortbestaan tot op de huidige dag. Orthodoxe kerken en kloosters, die nu ook in de diaspora in andere delen van de wereld te vinden zijn, volgen allen de traditie van de ongedeelde christelijke kerk. De afscheiding in 1054 van Rome heeft veel invloed gehad op de verdere ontwikkeling van het christelijke monastieke leven in West en Zuid -Europa. De toenemende invloed van rationalisering en centralisering tijdens de middeleeuwen in theologie (scholastiek), en in bestuur en organisatie sinds de renaissance heeft het kloosterleven in westelijk Europa een ander gezicht en een andere geestelijke atmosfeer gegeven. Ook de reacties op deze ontwikkelingen, zoals de aandacht voor de mystiek in de middeleeuwen als tegenvoeter van de rationalisering. En later ook het Protestantisme dat zich o.m. meer op de oorsprong wilde richten in soberheid en eigen taal, beïnvloedden de positie van het westerse monachisme.

 

Het voortgaande verlies van meer authentieke vormenvan christelijke spiritualiteit thans in West-Europa, als gevolg van verdere secularisering en rationalisering in de postmoderne maatschappij, heeft een spiritueel vacuüm geschapen waarin elk oorspronkelijk aandoende instructie, aanwijzing, ritueel of regel aangegrepen wordt om verdieping op te roepen in spiritualiteit. Of hiermee de weg van de christelijke spiritualiteit wordt bewandeld kan het beste beoordeeld worden aan de hand van de woorden van de Heilige Basilios zelf in zijn Kortere Regel:

 Betreffende die onderwerpen waarover gezwegen is heeft de Apostel ons een regel gegeven, toen hij het volgende zei: “Alles is ons geoorloofd, maar niet alles is heilzaam, alles mag, maar niet alles is opbouwend. Laat niemand zijn eigen voordeel zoeken, maar dat van de ander”(1Kor.10,22-24). Laat het daarom volstrekt noodzakelijk zijn zich aan God te onderwerpen volgens Zijn voorschrift. Want er staat geschreven: “Schikt u naar elkaar, uit vrees voor Christus”(Ef.5,21). En de Heer zegt: “Wie onder u groot wil zijn, moet de laatste van allen zijn en allen dienen.”(Mk 9,35) Men moet dus afstand hebben gedaan van zijn eigen verlangens naar het voorbeeld van de Heer zelf; Hij heeft gezegd: “Ik ben uit de hemel nedergedaald, niet om Mijn eigen wil te doen, maar de wil van de Vader die mij gezonden heeft.”(Antwoord 1 uit de Kortere Regel van Basilios) 

Zelfverloochening is wel het laatste wat in onze postmoderne maatschappij wordt gezocht. Maar toch was dat, en ís dat, nog steeds de essentie van het monastieke leven. Welke regel men ook kiest voor christelijke spiritualiteit, de mate van zelfverloochening en deemoed vormt daarin de toetssteen voor ‘welslagen’. Het is natuurlijk niet de regel zelf die ons geestelijk leven richting geeft, maar ons geloof erin. Een geïnspireerd geloofsleven vindt haar regelmaat niet in de regel zelf, maar in een christelijk gerichte heiliging van het leven. 

      (1) – Er bestaan vele werken over het christelijke kloosterwezen: algemeen historische, specifieke over het monachisme in bepaalde regio’s of rond bepaalde bekende monnikenvaders, voorts zijn er werken geschreven vanuit de achtergrond van een bepaalde kloostertraditie Voor het Nederlandse taalgebied verscheen een zeer toegankelijk werk over het orthodoxe monachisme van pater Christofoor Wagenaar(ocso), Om met Christus te zijn: het christelijk oosters monachisme  in de reeks Monastieke cahiers (Abdij Bethlehem:Bonheiden 1990) Ook bijzonder informatief is het werk van G.J.M.Bartelink, De Bloeiende Woestijn: de wereld van het vroege monachisme  (Ambo: Baarn 1993)
 

H. Nicolaas

Icoon H. Nicolaas

Adres

Russisch Orthodox Klooster van de H. Nicolaas van Myra

Buorren 18, 8584 VC Hemelum

t. 0514-581537
e. Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

ING-rekening: NL65INGB0006910488

Bijdragen voor GROOT ONDERHOUD op hetzelfde nummer storten maar DIT EXPLICIET VERMELDEN!

ANBI

RSIN nummer Klooster H. Nikolaas in Hemelum: 824155257

ANBI logo

RSIN nummer Stichting Orthodox Welzijn: 805402329