De Grote Vasten

De Grote Vasten is een van de oudste liturgische tijden van de Kerk. De oorsprong ligt in de grote Dienst van de Paasnacht, waarin het Lijden en de Opstanding van onze Heer tegenwoordig werden gesteld, voorafgegaan door twee dagen van volledig vasten, zonder enig gebruik van voedsel. Maar reeds in de eeuwen der vervolgingen werden deze gedachtenissen meer uitgebreid gevierd, zodat op het Concilie van Nicea, in het begin van de vierde eeuw, de Veertigdaagse Vastentijd als iets dat van oudsher bestond wordt vermeld. Dit hield ook verband met de intensieve opleiding van de doopleerlingen, die in de Paasnacht de Verlichting ontvingen. Daarbij kwam de gedachte dat wij de tiende van al onze bezittingen aan God behoren te schenken: in de Vasten brengen wij het tiende deel van het jaar als onze offergave.

 

 

Hieruit volgt dan in welke geest de vasten behoort te worden gehouden. Het is een tijd van inkeer, waarin wij ons weer scherp voor ogen stellen wat ons christenleven zou moeten zijn: dat de geestelijke waarden de overhand behoren te hebben boven de lichamelijke verlangens; dat onze verhouding tot God belangrijker is dan al het andere. En omdat wij daarin zo veelvuldig te kort schieten, doen wij boete, om voor onszelf en voor God te doen zien dat die inkeer oprecht gemeend is.

Omdat wij niet slechts als persoon, maar evenzeer ook als gemeenschap, als Kerk tegenover God staan, is deze vasten ook vervuld van kerkelijke activiteit. We besteden meer tijd aan het gemeenschappelijk gebed; de kerkdiensten zijn uitvoeriger; er worden bepaalde melodieën gebruikt. Ook stellen we als Kerk gemeenschappelijke regels op voor de boete, waar ieder voor zich nog aan toe kan voegen, in overleg met de geestelijke Vader. Deze regels zijn opgesteld toen de Geest nog vurig was in de harten; zij zijn daardoor een uiting van de brandende ijver die de christenen bezielde. Ons, verwende westerlingen, mogen deze regels hard toeschijnen, het is een feit dat ze in orthodoxe landen nog door velen, en niet alleen in de kloosters, worden onderhouden.

Deze regels zeggen:
de gehele Vastentijd geen vlees, melkproducten, vis, olie, noch wijn (dus geen alcohol). Ook het aantal maaltijden wordt beperkt.
In de eerste vastenweek (om maar goed te beginnen), zijn er van maandag tot vrijdag in het geheel slechts twee maaltijden, nl. na de Vastenliturgie van woensdag en vrijdag. Op maandag wordt in het geheel niet gegeten, op dinsdag en donderdag is er voor de zwakkeren na de Vespers brood en water of vruchtensap. Daar kan nog bij komen gekookte groente en plantenmargarine. Deze ordening geldt ook voor de vijfde week, waarin de heilige Maria van Egypte wordt herdacht. Ook in de Lijdensweek wordt natuurlijk streng gevast.

In de overige tijd van de Grote Vasten is er één maaltijd per dag; zaterdags en zondags zijn er twee maaltijden, maar wel strikt plantaardig. Op het Feest van de Verkondiging en Palmzondag wordt ook vis gegeten; op de Grote Donderdag olie en wijn. Deze strenge lichaamsbeheersing is geen doel op zichzelf: het is een middel tot geestelijke groei. Reeds op de eerste Vastendag zingen we: «…het ware vasten bestaat uit afkeer van het kwade; het is de beheersing van de tong, het afstand doen van slechte begeerten, van kwaadspreken en leugen…» (Vespers) «…laat ons door onthouding vleugels geven aan onze ziel, om in de hemel welgevallige gebeden te kunnen opdragen…» (1e dinsdag, 8e Ode).

De kerkdiensten worden beheerst door aansporingen tot inkeer en boete, tot bezinning op het wezen van de mens en het berouw over zijn afdwalingen. Daarom wordt er veel gebruik gemaakt van het Oude Testament. In de Officies wordt elke week nu tweemaal het gehele Psalter gebeden. Ieder voegt daar nog persoonlijk aan toe, naar de mate van zijn mogelijkheden. Er wordt gelezen uit de Boeken Genesis (de schepping en zondeval), Exodus (de doortocht door de Rode Zee, de oorsprong van het Pascha), de Profeten Jesaja en Ezechiël (de predikers van het vasten en de rouwmoedigheid, die tegelijk het uitzicht openen op Gods heerlijkheid: het Kruis en de Opstanding), de Spreuken en het Boek Job (die ons manen tot morele inspanning, met de loutering van het lijden en de innerlijke overwinning).

De lezingen gebeuren in het Zesde Uur en in de Vespers. De Metten worden gekenmerkt door het Triodion, waarbij in de Canon de betreffende Bijbelse Oden in hun geheel gezegd of gezongen worden. Rond deze Oden is er een verzameling van Troparen, die in hun huidige vorm afkomstig zijn uit het Studionklooster van de negende eeuw, telkens geschreven door de twee broers Jozef en Theodoros. Daarnaast komen nog een aantal andere kerkelijke dichters aan het woord, zie bv. in de vijfde week de Akathist van de heilige Moeder Gods, door de grote Romanos de Melode.

Om ons bij dit alles aan te moedigen is er ook een schat aan muziek. Dit begint al in de Voorvasten met «De deur der boete…» en: «Aan de stromen van Babylon…» Dan is er de Grote Boetecanon van Andrea van Kreta, in de eerste en vijfde week, waarin heel de Schrift wordt doorzocht om ons innerlijk bloot te leggen voor God. En telkens vallen we neder en zingen: «Ontferm U, o God, ontferm U over mij.» In de laatste week wordt het Tropaar van de Metten wel het allermooist met: «Zie de Bruidegom komt te middernacht…», en als antwoord daarop het Exapostilarion: «Uw Bruiloftszaal zie ik versierd…» Hoogtepunten onder de onvergetelijke zangen van de Lijdensdagen zijn wel: «De rechtvaardige Jozef…»,  «Wij groeten de gedachtenis…», en de eindeloze troparen van de Wake bij het Graf.

Wanneer wij op deze wijze meegeleefd hebben met het Lijden van onze Heer, zullen wij ook ten volle deel hebben aan de Opstandingsvreugde van de Paschanacht.

Deze voorbereidingstijd is van een grote innerlijke schoonheid. Het begint met Zacheaszondag, de laatste zondag van de tijd na Pinksteren, waar we met Zacheas (in de boom), reikhalzend uitzien naar de komst van de Heer. Dan komen de zondagen van de goddelijk-schone Gelijkenissen van de Tollenaar en de Farizeeër, en van de Verloren Zoon, die ons de inkeer en de goddelijke barmhartigheid voor ogen stellen, ook in de Diensten van de weekdagen.

Na de Dodenzaterdag, wanneer wij op bijzondere wijze alle gestorvenen herdenken, komt de ernstige zondag van het Laatste Oordeel, of de zondag van Christus’ Wederkomst. Na Gods geduld komt Zijn gerechtigheid over wie zich, niettegenstaande Zijn goedheid, aan hun zonden hebben vastgeklampt.

Deze laatste week voor de Vasten heet de Boterweek. Reeds wordt er geen vlees meer gegeten, maar voor het laatst doen wij ons tegoed aan allerlei smakelijke spijzen, oorspronkelijk bedoeld om bederfelijke voorraden op te maken.

Deze zaterdag is gewijd aan de Helden van het vasten, de grote Asceten in de woestijn, die alleen bij name herdacht worden. Dan komt de Vergevingszondag. Wij herdenken de verdrijving van Adam uit het Paradijs. We stellen ons geheel in zijn plaats, want Adam, de eerste mens, herleeft in ieder van ons. En we zingen de aangrijpende klachten over het ons eens geschonken geluk, dat we zo lichtzinnig hebben doen verloren gaan: niet alleen voor onszelf, maar voor heel de mensheid.

Hier ligt wel het hart van het orthodoxe vasten: dit handelen vanuit die diepe eenheid met al het geschapene, omdat tezamen het Lichaam van Christus zijn. We zijn priesters, een koninklijk priesterschap, zoals Petros zegt. We bidden en boeten, niet slechts voor onszelf, maar voor de wandaden van het mensengeslacht, waarvoor ook wij de verantwoordelijkheid dragen, zoals ook Christus die op Zich genomen heeft. In de Vespers vragen we daarom vergeving aan alle broeders en zusters die we bereiken kunnen, want alleen dan is ons vasten zinvol.

Zo, voorbereid treden we de Veertig Dagen binnen. Het is een reis, een verre pelgrimstocht door de woestijn, een vaart over een grote zee waar we doorheen moeten trekken. We zijn op weg, zoals het Officie telkens weer zingt, naar de deelname aan het heilig Lijden en de Opstanding. We spannen ons in, we houden vol, we werpen ons ter aarde, we bidden staande, we houden ons rein. En zo groeit de verwachting, het verlangen naar verlossing, naar bevrijding uit de slavernij van het kwaad, uit bederf en dood, naar de vervulling van de zin van ons bestaan, naar inzicht en leven.

Binnen deze Veertig Dagen is er ook weer een onderverdeling. In de eerste week wordt bijzonder streng gevast. Een groot deel van de tijd wordt besteed aan het gemeenschappelijk gebed. De Grote Canon van Andreas van Kreta geeft richting aan het leven en de gemoedstoestand van deze dagen. Daarop volgt de triomfantelijke Zondag van de Orthodoxie. Dan brengen wij onze iconen naar de kerk, om deel te hebben aan die vreugde van het herstel der iconenverering, en waar ze door heel onze gemeenschap worden vereerd.

De Tweede Zondag gedenkt de heilige Gregorios Palamas als een vervolg op de vorige zondag. Toen ging het over de afbeeldbaarheid van een geestelijke werkelijkheid op de iconen; deze dag gaat over de rechtstreekse waarneembaarheid van die werkelijkheid door menselijke ogen, reeds hier op aarde: het stralende licht van de Thabor, dat nog steeds wil schijnen in onze harten.

Het midden van de Vasten, de Derde Zondag, vereert het heilig Kruis, de bron van onze Opstanding. Alle Diensten van deze week zijn afgestemd op het ter verering neergelegde Kruis.

De week na de vierde Zondag is gewijd aan de Barmhartige Samaritaan. De zondag zelf viert de heilige Johannes Klimax (Johan van de Ladder), de grote ascetische schrijver uit het Sinaïklooster. De Vasten wordt weer heel intens beleefd. In de Metten van donderdag lezen we het ontroerende levensverhaal van Maria van Egypte, de lichtzinnige hoer uit Alexandrië, die zevenenveertig jaar lang, onder de grootste ontberingen, in volstrekte eenzaamheid leefde in de woestijn over de Jordaan, totdat haar leven, kort voor haar dood, door God aan het licht werd gebracht. Opgewekt door zulk een voorbeeld, kunnen we niet scheiden van de kerk, en de grote Boetecanon, die in de eerste week over vier dagen was verdeeld, wordt nu als één geheel gebeden.

De zaterdag is gewijd aan het toppunt van religieuze dichtkunst: de Akathist van de heilige Moeder Gods, door Romanos de Melode, uit de vijfde eeuw. Deze was een Kerstzang in de oude betekenis van het woord: een diepe bezinning over het mysterie van de Menswording van God, die in zulk een vreugdevolle verwachting was begonnen, maar tenslotte tot de moord op God heeft geleid. Doordat juist de Menswording, de Verkondiging der Blijde Boodschap, op 25 maart wordt herdacht, is de Akathist op deze plaats in de Vasten terechtgekomen, en ontplooit juist daardoor de volle zin ervan. De vijfde zondag sluit deze week af met een dankbaar herdenken van Maria, de Egyptische.

Gedurende de zesde week volgend we Christus op de voet bij zijn tocht naar Bethanië, nadat Hij van Lazaros’ ziekte had gehoord. In de Diensten van deze week wordt ook veel gedacht aan de parabel over de arme Lazaros, en kunstvol richt zich de aandacht steeds meer van de voorafbeelding naar de werkelijke Lazaros, die inderdaad uit de doden is opgestaan, maar zonder resultaat voor de Joden, juist zoals Christus het in Zijn gelijkenis had voorzegd.

Zo zijn we, na een voortdurende opgang, gekomen tot de Lijdensweek. Na de kortstondige triomf van Palmzondag laait de strijd met de Farizeeën weer hoog op. We horen en zien de laatste Gelijkenissen: de verdorde vijgenboom, de wijze en de dwaze maagden, de talenten, de verwoesting van Jeruzalem. En steeds naderbij komt het verraad van Judas.

In het centrum van die cycloon van gebeurtenissen is daar de goddelijke rust van het Laatste Avondmaal. In het bewustzijn van het nabije einde wil Christus Zijn Leerlingen op aangrijpende wijze doordringen van Zijn boodschap: de alles overwinnende zekerheid van Gods liefde. Hij geeft Zijn Vlees te eten, zijn Bloed te drinken, en Hij spreekt de verhevenste woorden die door een mensenmond, in alle tijden, gesproken zijn.

Dan wakkert de orkaan weer aan tot een steeds grotere hevigheid. De doodsstrijd in de Olijfhof, de gevangenname onder aanvoering van Judas, de mensonterende rechtszaak met het gesol, heen en weer, tussen Pilatus en Herodes; en dan de smadelijke beulsdood aan het Kruis. De zaterdag houden we de wacht bij het Graf. In de Basilios-Liturgie horen we reeds de voorklank van de Opstanding: «Dat God verrijze…», maar dan volgt stilte en inkeer tot aan de triomf van de Paschanacht.

Deze grootse opbouw van de geestelijke reis door de uitgestrekte woestijn van de Vasten, waardoor we gebracht worden naar het Beloofde Land van het Pascha, wordt verwezenlijkt in de steeds wisselende stroom van hymnen in de dagelijkse Diensten. Deze hebben een sterk geraamte, een vaste structuur nodig om die rijkdommen te dragen en tot gelding te laten komen, door ze te ordenen en ze door hun onderling verband in al hun facetten te laten fonkelen.

(uit: Triodion, deel 2, Den Haag, Nederlands Orthodox Klooster v/d heilige Johannes de Doper)

H. Nicolaas

Icoon H. Nicolaas

Adres

Russisch Orthodox Klooster van de H. Nicolaas van Myra

Buorren 18, 8584 VC Hemelum

t. 0514-581537
e. Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

ING-rekening: NL65INGB0006910488

Bijdragen voor GROOT ONDERHOUD op hetzelfde nummer storten maar DIT EXPLICIET VERMELDEN!

ANBI

RSIN nummer Klooster H. Nikolaas in Hemelum: 824155257

ANBI logo

RSIN nummer Stichting Orthodox Welzijn: 805402329